Karrepah

Het stilstaand grachtwater was tussen wal en bootje zó helder dat je tot op de bodem kijken kon. Het water was niet alleen bijkans perfect transparant, het vergrootte ook uit! Daar zag je een god-weet-wanneer-stilgezette wereld van lege eierschillen, Haagsche Couranten, bierdoppen van Heineken, een opengeslagen Chick – en je kon ´m lezen!

Polyester bootjes, steevast uigevoerd in een knal oranje of aeroflotblauw, met zo´n kajuit voor twee nodeloze slaapplaatsen voorin, waren eind jaren ´70 trendy. Bootjes vertegenwoordigden vrijheid. Praktisch caravannetjes op ´t water waren ´t, meneer!, inclusief primusjes van CampingGaz, voor de blikken kippensoep en knakworst. Man, sommige hadden zelfs teevee met Duitsland-antenne aan boord! Gaan en staan waar je wilde, de grachten op, de kanalen in, – dat is je ware!

Ik weet niet hoe mijn vader er aan kwam, maar plots hadden we er éen liggen, ergens richting Loosduinsekade – Valkenboskade, kwartiertje met de Capri en je was d´r. De Johnson buitenboordmotor, uitgezocht op buitensporig veel pk´s, trok ´t bootje bij vol gas fel achterop de kont, en het stuwwater dat naar links en rechts uit de gracht werd geperst, bezorgde niet zelden achteloze passanten op de wallenkant een nat pak. Dat was lachen, veilig achterin de azuurblauwe Ford Capri met zwart skaileren dak, op weg naar huis.

Ik kan me niet herinneren dat we ´t stuk gracht waarin het bootje lag ooit echt uit zijn geweest.

Hengels werden uitgegooid, als was ´t vanaf ´n logger. Maar zelden bleef d´r wat hangen. Mijn vader ving er wel éenmalig een karper (karrepah). Die woog misschien een kilo of twaalf. Hij was zo groot dat we niet wisten wat we ermee moesten. Bij thuiskomst eerst de gootsteen maar in. Daar lagtie dan, op apegapen. En ik maar op m´n tenen naar ´m kijken, onderarmen op het zwarte graniet van ´t aanrecht. Hij deed me denken aan dat mens van Simonis. Zo nu en dan zette ik de kraan op z´n flikker open. Dan volgde een gehijg en gebries als van een paard, bijna, en zijn staart sloeg wild op en neer op ´t putje. Daarna was het weer rustig. Ik moet aardig lang zo gestaan hebben, de striemen stonden op mijn onderarmen van de scherpe aanrechtrand. Toen stond opeens mijn vader naast me, met z´n hier en daar al grijs wordende greaserkop, bierbuik naast mijn rustende onderarmen. Hij had duidelijk, in gezelschap van enige Heinekenpullen, iets overdacht en daar een knoop over doorgehakt. Terug de plastik tas in ging de karrepah. Mijn vader plankte de Capri tot bij het bootje en wist niet hoe snel hij tas met inhoud in de gracht moest gooien. Ik zag de vis terug prachtig worden, zich losmaken uit het zinkend plastik en met twee, drie verassend energieke, slangachtige bewegingen was hij terug in z´n element. En zo ook ik weer, moet mijn vader gedacht hebben, realiseer ik hem nu.

Capri

, , ,

2 Responses to Karrepah

  1. Snaaijbaard juli 25, 2011 at 12:00 am #

    Pracht van een verhaal. Enne eind goed al goed.

  2. Raaphorst juli 25, 2011 at 11:43 am #

    Zo’n foto. Alsof je naar jezelf kijkt.

Hofstijl, het laatste woord uit Den Haag