Vakantieblues: mijn eerste vakantie

De enige keer dat ik samen met mijn ouders op vakantie ging, heb ik niet eens bewust meegemaakt. Een jaar eerder waren ze getrouwd. Mijn vader had het café van opa overgenomen en zich samen met zijn jonge bruid vol overgave in het avontuur gestort. Dat bleek nog niet zo eenvoudig, vooral voor mijn moeder. Als jongste uit een gezin van vijftien kinderen had ze altijd een beschermde status genoten, maar die telde in een dorpskroeg niet. Een echte mannenwereld waarin, geholpen door het rijkelijk stromende bier, respect voor een vrouw meer uitzondering dan regel was. Aanvankelijk kon mijn vader enig ridderlijk gedrag niet worden ontzegd en deed hij krampachtige pogingen zijn jonkvrouw in bescherming te nemen. Totdat opa zich ermee ging bemoeien: ‘Het zijn je klanten jongen. Daar went ze wel aan.’
Ik sluit niet uit dat mijn moeder in die fase haar voorliefde voor een dochter heeft ontwikkeld; een maatje in de strijd en altijd handig in de huishouding.

Het wittebroodsjaar zat erop. Hoog tijd voor vakantie. Ze hadden nog even getwijfeld over de besteding van de zuurverdiende centjes. In oktober ging namelijk de Nederlandse televisie van start. Maar uiteindelijk moest de kijkbuis het afleggen tegen een weekje Rüdesheim. Samen met Marie en Gerrit, welke laatste recentelijk een automobiel had aangeschaft, te weten een Renault 4CV.
Dit alles tot grote opluchting van opa. Tv was misschien iets voor de stad, maar niet voor ‘ons soort mensen’. Nee, opa had andere gedachten over het jonge stel.
‘Wat dacht je van een kleinzoon?’ knipoogde hij naar mijn vader en stak een extraatje in diens borstzak. ‘Daar heb je nou mooi de tijd voor.’

Nog geen week geleden had hij de pastoor, die kwam informeren of zijn kudde al enige uitbreiding tegemoet kon zien, resoluut de deur gewezen: ‘Als jij je niet met mijn werk bemoeit, dan bemoei ik me niet met het jouwe.’
De zielenherder had zich dit heidense gedrag zwijgend laten welgevallen, echter niet nadat hij een exemplaar van Het groeiende Leven in de hand van mijn moeder had gedrukt; ‘wederom bijgewerkt verschijnt thans het 120e en 130e duizendtal van deze bij de moeders en aanstaande moeders zo populaire uitgave van de Nationale Federatie het Wit-Gele Kruis’.

De eerste zin in het boekje luidde: ‘Het mensdom heeft van God tot taak gekregen te zorgen voor de instandhouding van het geslacht. Wij bestaan immers niet uitsluitend voor onszelf, zoals wij in zelfoverschatting en zelfzucht dikwijls denken, maar zijn, als de schakels van een keten, verbonden zowel met hen die vóór ons waren, als met hen die na ons komen’. Precies de boodschap van opa, alleen had die er een geeltje en wat minder woorden voor nodig.

Bijna zestig jaar later kwam ik het boekje tegen, bij het opruimen van het ouderlijk huis. Mijn vader was al jaren geleden overleden en mijn moeder had de laatste halte van het leven genomen; het verzorgingstehuis. Het papier was vergeeld en zat vol pigmentvlekken. Van sommige pagina’s was een hoekje omgeslagen. Bij het hoofdstuk ’Voeding en verzorging van het kind in het eerste levensjaar’ was een stukje krantenpapier gestoken. Tot zo ver had ze het gelezen en daarna waarschijnlijk haar moederinstinct gevolgd.

Mijn ouders hadden geen rijbewijs waardoor alleen de rit met de Renault 4CV voor hen al een belevenis was. Het jonge paar genoot vanaf de eerste minuut. Zo heb ik nog een foto waarop ze, geleund tegen de Renault 4CV, lachend in de lens kijken. Beiden een strooien hoed op met in de rand een rolfluitje dat met een ingenieus verstopt slangetje kon worden bediend.

In Rüdesheim maakten ze lange wandelingen door wijngaarden en over beboste heuvels. Ze bezochten kastelen, voeren met een rondvaartboot over de Rijn en gingen naar de Loreley. De dagen eindigden in avonden vol Wein, Weiber und Gesang in een van de traditionele Weinstubes. Fouter kon bijna niet, als ik Het groeiende Leven moest geloven. Mij zou een ontaarde moeder staan te wachten; maar ik had geen keus. En ze was nog zo gewaarschuwd: ‘Geen beunhazerij in mannelijke bezigheden en beroepen, geen gelegenheden bezoeken, waar cigaretten, tango en cocktail hoogtij vieren’. Eigenlijk kon ze niet eens meer naar huis. En het ergste moest nog komen.

Op de laatste avond kwamen ze in een bar terecht met voornamelijk Amerikaanse soldaten. Er speelde een geweldige band. Gerrit sleurde bij het horen van de eerste tonen van Nat King Cole’s Unforgettable zijn Marie de vloer op. Dansen was aan mijn vader niet besteed. De laatste keer dat hij met mijn moeder had gedanst was op hun bruiloft. Maar vanavond was ze onweerstaanbaar. Hij nam haar hand en ging haar voor. Terwijl ze in zijn armen wiegde, neuriede hij zacht mee: ‘Unforgettable, that’s what you are, unforgettable though near or far…’

Het moet die avond zijn geweest dat ik de overstap van mijn vader naar mijn moeder maakte. Ik was niet alleen. We waren met honderden, zo niet duizenden. Maar eenmaal in moeders schoot beland, was ik de enige overgeblevene. ‘Wij zijn slechts een klein deeltje van het geheel, microscopisch klein en als zodanig zonder betekenis, maar toch onmisbaar voor de ongereptheid van dat geheel’, las ik in het boekje. En dat was ik.

Daags daarna gingen ze terug naar huis, opgewacht door opa die belangstellend bij mijn vader informeerde hoe het was geweest. Die begon te vertellen over de reis, de mooie omgeving en de heerlijke wijn. Maar over mij zweeg hij. Mijn moeder was ondertussen begonnen aan Het groeiende Leven: ‘… heeft men evenwel het huwelijk gekozen, dan stelle men zich tot taak dit huwelijk op de meest geschikte wijze aan zijn hoofddoel, de instandhouding van het geslacht, te doen beantwoorden ..’.
Negen maanden later werd ik geboren. Unforgettable.

Uit: Vakantieblues – Riny Boeijen – uitgeverij U2pi BV – isbn 978-90-8759-195-3

, , , ,

Comments are closed.

Hofstijl, het laatste woord uit Den Haag