Vakantieblues: zomerkamp

Johnny Hoes

‘Ik beloof met de hulp van Gods genade mijn best te zullen doen. Mijn plicht te doen tegenover God, de Kerk en mijn Land. De wet van de welpenhorde te gehoorzamen en iedere dag een goede daad te doen’.

Deze welpenbelofte deed ik in september 1959. Zeven jaar oud.
Mijn leven overziend, ben ik bang dat ik me niet aan die belofte heb gehouden. Er zijn dagen geweest dat er van een goede daad niets is terechtgekomen. Om over mijn plichten ten opzichte van God, de Kerk en mijn Land nog maar te zwijgen.
Ik heb wel mijn best gedaan. Zeker in die tijd, zo valt in mijn welpenboekje te lezen. Twee sterren kon de moedige welp behalen en na nog geen jaar had ik al een ster te pakken. De prestaties die ik daarvoor had moeten leveren waren niet gering. Een couplet van het Wilhelmus zingen, klok kunnen kijken. Ik schijn ook het leggen van een schootsteek en een platte knoop onder de knie te hebben gehad. Hinkelen, balgooien, koprollen en bokspringen. Ook met de lichamelijke verzorging zat het goed. Daarbij aangetekend dat het eind jaren vijftig gewoon was slechts een keer per week een bad te nemen en als het tegenzat, zoals in mijn geval, in het vuile badwater van je jongere broertje. Alleen al daarvoor was die ster zeker op zijn plaats.
Een tweede ster heb ik nooit gehaald. De diepere oorzaak van dit falen heeft haar oorsprong in het vakantiekamp waaraan ik in de zomer van 1960 deelnam.
Mijn moeder had met enig leedvermaak kennis genomen van het feit dat ik een weekje onder akela’s hoede uit logeren ging.
‘Dan zal je eens merken hoe goed je het hier hebt.’
Een opmerking die ik volstrekt niet kon plaatsen. In mijn herinnering had ik nooit ergens over geklaagd. Zelfs niet over dat vieze badwater. Bovendien was het destijds ongebruikelijk, zo niet erg onverstandig, om kritiek te uiten op het huisregime. Lijfstraffen waren niet ongewoon en je kon zonder eten of drinken naar bed worden gestuurd. Dat laatste was me regelmatig overkomen. Zonder effect overigens, aangezien ik wist waar op zolder mijn vader zijn voorraad Kwatta’s had opgeslagen. ‘Hulp in eigen omgeving’, las ik in het welpenboekje bij de tweede ster.

Ondanks haar cynisme had mijn moeder zich met verve over mijn plunjezak ontfermd; een paarskleurige plastic zak waarin een vijfdaags verblijf secuur, maar sober was samengevat. Een trui, want het kon ‘s avonds afkoelen. Daarom ook maar een extra paar sokken en een singlet. Een zakdoek. Een schone onderbroek, je kon immers nooit weten. Een handdoek, een washand met daarin een stukje zeep en een kammetje. Een kussensloop, een laken en bovenop een paardendeken. De zak werd verzegeld met een stukje sisaltouw waaraan een label met mijn naam bungelde: Riny Boeijen, nest ‘zwart’.

Op de dag van vertrek kwam een kleine vrachtauto van de gemeente aanrijden die de plunjezakken meenam en ons voorging in avontuur. Wij op de fiets er achteraan met akela aan het hoofd. Of, zoals de wet van de welpenhorde luidde: ‘De welp volgt de oude wolf. De welp is moedig en houdt vol’.
Mijn akela was allesbehalve een oude wolf. Ik weet niet of ik toen al enige smaak voor vrouwelijk schoon had ontwikkeld, maar mijn akela was de mooiste van de hele wereld. Ze was sterk en lenig, knoopte een mastworp met haar ogen dicht en klom als een panter de bomen in. Ze kon seinen en wist met een kompas in de hand precies waar we heen moesten.
Maar ze was ook anders mooi; als ze lachte bijvoorbeeld. En dan was er nog dat ene moment. Onze horde had een zwemmiddag in het ven in de bossen aan de rand van het dorp. Daar zag ik haar in badpak. Een keer. Maar dat beeld stond in mijn netvlies gebeiteld. Een wonder van schoonheid, veel mooier dan alle vrouwen in badpak die ik ooit in De Lach had gezien.

Moedig en volhardend bereikten we na een paar uur fietsen ons kampement aan de rand van een bos; een koeienstal. Ieder kreeg een plekje op de cementen vloer toegewezen. Aan het hoofdeinde twee palen waartussen een koe had gestaan. Aan het voeteneinde een smalle ondiepe afvoergoot voor de mest.
De boer deelde jute zakken uit en wees ons naar een stapel strobalen. Akela haalde haar mes tevoorschijn en sneed met soepele bewegingen de touwtjes door die het stro bij elkaar hielden.
Het vullen van de strozak was bepaald geen sinecure. Met te weinig stro voelde je na een kwartier de stenen vloer en met te veel rolde je van je slaapzak.
‘En afsluiten met een platte knoop. Dat kun jij wel,’ knipoogde akela naar me.
Dat gold niet voor mijn moeder, maar die had dan ook geen ster. Mijn plunjezak was open en het touwtje met label weg. Gelukkig herkende ik hem aan het paarskleurige plastic en aan de paardendeken die bovenop lag. Met het witte laken erbij leek mijn slaapzak even later op een echt bed. Nu nog de kussensloop vullen met stro en deze welp was klaar. Terwijl ik de sloop uit mijn plunjezak haalde, verstijfde ik van schrik. Het werd warm en koud tegelijk. Mijn knieën knikten. Ik slikte. Daar lag een … een beha. Hoe was die daar terecht gekomen? Mijn moeder natuurlijk weer. Verschrikt keek ik links en rechts om me heen. Zou iemand iets hebben gezien? Daar leek het niet op. Waar moest ik heen met dat ding? Voorlopig nergens. Onderin stoppen maar. Ik keek nog eens in de zak. De beha was wit. De cups waren aan de bovenkant afgezet met een ruche en in het midden verbonden door een glanzend strikje. Ze glommen me tegemoet. Nog nooit was ik zo dichtbij geweest. Mijn hand ging in de zak en voorzichtig streelde ik de stof. Die voelde koel, glad en ook zacht. Er ging een lichte siddering door me heen.
‘Zo, hier zit de dader.’
Mijn hand vloog uit de zak, mijn haren overeind. Ik kreeg geen lucht. Mijn adem stokte.
Seinen, natuur, paalsteek.

Mijn tweede ster duizelde in veelvoud om mijn hoofd. Akela.
‘Je hebt de verkeerde, jongen. Dat is de mijne.’ Ze wierp eerst een blik in de plunjezak en keek daarna naar mij.
Ik vraag me nog altijd af of ze het wist. Of de oude wolf aan mijn ogen kon zien dat ik met mijn welpenpootjes haar beha had beroerd.
‘Ik dacht … er zat geen label aan … paars gekleurd … en die deken …’
‘Is precies hetzelfde als mijn deken,’ vulde ze me aan. ‘Haal je bed maar af en help me even.’

Ik heb die vijf nachten nauwelijks geslapen. Dat lag niet aan mijn slaapzak of aan mijn kussen. Ook niet aan de zeurende stank van koeienmest of aan Wim die iedere nacht om zijn moeder riep. Nee, het lag aan haar. Aan Akela. Ik was verliefd tot over mijn welpenoren. Als enige ooit haar beha aangeraakt. Die tweede ster zou ik halen. En een derde of een vierde, als het moest. Ik zou haar volgen, waarheen dan ook. Ik zou moedig zijn en nooit opgeven. Ik beloofde met hulp van Gods genade mijn best te zullen doen en meer. Een laaiend liefdesvuur dat me geen rust meer gunde.
Tot die laatste dag. De dag waarop mijn droom in duigen viel. De dag waarop ik mijn welpenbelofte samen met het welpenboekje in een denkbeeldig kampvuur wierp.
Ze was gaan staan en had om stilte gevraagd.
‘Welpen, dit is de laatste keer dat ik met jullie op kamp ben geweest. Ik word moeder.‘
Terwijl ze het zei, had ze haar handen op haar buik gelegd. Even doemde het beeld van mijn moeder op, maar dat kon ik snel verdringen. Ik keek van haar buik naar haar ogen. Er was iets met die ogen. Ze keken anders. Het waren niet meer die ogen van mijn stoere, mooie wolf. De wolf die ik altijd wilde volgen. Het waren de ogen van … een moeder.
Ik beet op mijn onderlip. De horde applaudisseerde. Maar ik kreeg mijn handen niet op elkaar. Gods genade had me in de steek gelaten.

Bij thuiskomst was mijn moeder zorgzamer dan ooit. Mijn verliefdheid, de slapeloze nachten en mijn verdriet hadden hun sporen nagelaten. Ik zag eruit als een strozak. Toch kon ze het een paar dagen later niet nalaten om even haar gelijk te halen.
‘Deze heb ik speciaal voor jou gehaald’, zei ze en koos in de jukebox B1. Even later schalde de nieuwste hit van Johnny Hoes door het café:

Och was ik maar bij moeder thuis gebleven,
och was ik maar met jou niet meegegaan.

Uit: Vakantieblues – Riny Boeijen – uitgeverij U2pi BV – isbn 978-90-8759-195-3

, , , , ,

8 Responses to Vakantieblues: zomerkamp

  1. ger juli 4, 2012 at 12:31 pm #

    Zo Riny, was je ook verliefd toen je je dochters (van 8 en 10) in de steek liet?

  2. Riny Boeijen juli 4, 2012 at 2:27 pm #

    Zeker Ger, vanaf de seconde dat ze geboren waren.

  3. ger juli 4, 2012 at 11:15 pm #

    Dus liet je ze in de steek, logisch.
    Voor wie of wat?

    • Riny Boeijen juli 5, 2012 at 11:45 am #

      Ik zou zeggen: koop mijn boeken, dan word je misschien wat wijzer. Einde discussie.

      • ger juli 6, 2012 at 9:06 am #

        Voor ik koop en jou financieel wijzer maak: Speelt Den Haag enige rol in die boeken?

        • Riny Boeijen juli 6, 2012 at 11:50 am #

          Tot slot Ger; om eerlijk te zijn, nee. Als je daar naar op zoek bent, dan moet ik je teleurstellen. Niettemin dank voor je reacties. Groet.

  4. ger juli 6, 2012 at 6:57 pm #

    Overigens een prachtig en spannend verhaal, goed geschreven.
    Maar onwaarschijnlijk dat iemand zich zo gedetailleerd dit zou kunnen herinneren.
    De hit van Hoes was ook van 1961, dus dat klopt al niet.

    • Riny Boeijen juli 12, 2012 at 8:59 pm #

      Ger, ik heb mijn welpenboekje er op nageslagen. Je had gelijk. Het was 1961 (geen wonder dat ik die tweede ster nooit heb gehaald). Wordt in een volgende druk gecorrigeerd.

Hofstijl, het laatste woord uit Den Haag