Vakantieblues: Elvis

elvis

‘Weet je Rinus, het draait in het leven maar om twee dingen; de duit en de fluit.’
Waar ze die wijsheid vandaan had, was me een raadsel. Als ze maar niet mijn fluit of mijn duiten bedoelde. Bovendien voelde het onwennig dat ze me Rinus noemde. Niemand gebruikte die naam.
We hadden elkaar ontmoet op de luchthaven van Alicante. Per toeval. In de aankomsthal was ze in gevecht geraakt met een gemankeerde bagagekar, uitgerust met een zwabberwiel. Ze had slechts een hand vrij om de kar te sturen, want de andere hield krampachtig haar goudkleurige schoudertas vast. Door het zwabberwiel maakte haar felroze koffer voortdurend slagzij om uiteindelijk met een reuzenzwaai op de marmeren vloer te kletteren. Zonder er bij na te denken, had ik haar mijn kar aangeboden. Ze leek aangenaam verrast.
‘Wat een heer. Daar kunnen die Spanjolen nog een puntje aan zuigen. Moet je die bijgoochem zien.‘
Ze wees naar een geüniformeerde man die met de handen op zijn rug verveeld het gearriveerde gezelschap in ogenschouw nam.
‘Als ze in mijn voortuin kunnen kijken, zijn ze wel wakker. Maar even iemand helpen? Ho maar. Dat heb je als vrouw alleen. Trouwens ik ben Margreet, maar iedereen noemt me Gré.’
Ze stak haar hand uit. Aan elke vinger een of meer ringen, om haar pols een paar gouden armbanden. De kleur van haar nagels paste naadloos bij haar koffer.
‘Riny’, zei ik en schudde een stevige hand.
Ze blies een blonde lok uit haar gebruinde gezicht. Niets wees er op dat de Spaanse zon hier nog enig werk te verrichten had. Dat gold ook voor haar voortuin; twee gebronsde klankschalen deinend in een gouden visnet. Een wolk parfum sloeg dood in mijn neus.
‘Waar gaat de reis heen?’ ging Gré verder.
‘Naar Altea’, antwoordde ik.
‘Dat ken ik. Daar hebben ze op dinsdag een markt langs het strand. Het is geen Albert Cuyp, maar wel geinig. Ik logeer in Benidorm, in Dos Estrellas. Al zeven jaar. Sinds Karel, mijn man, is overleden. Hij moest niks van het buitenland hebben. We kwamen nergens. Ja, aan de Vinkeveense plassen, in dat gammele bootje van hem. Vissen. Ach, het was een goeie man hoor, daar niet van. Maar er zat niks bij. Karel was een beetje een dooie en daar heeft ie een beetje veel van gemaakt. En jij? Ook alleen zeker? Dat zie ik zo. Geen wonder dat we elkaar zijn tegengekomen. Niks is toeval. Alles heeft zijn bestemming.’
In de veronderstelling dat ons rendez-vous spoedig ten einde zou lopen, deed ik geen moeite haar analyse tegen te spreken. Buiten het luchthavengebouw aangekomen leek het me een mooi moment om afscheid te nemen. Gré had echter andere gedachten. Ze wenkte een taxi.
‘Laat mij maar even’, suste ze. ‘Met tweeën is een taxi een stuk goedkoper. Waar logeer je?’
De taxi stopte en de chauffeur stapte uit.
‘Luister eens amigo’, begon ze haar verhaal en een paar minuten later waren we op weg.
Terwijl het levenloze landschap aan me voorbijtrok, ratelde Gré aan een stuk door. Over dooie Karel. Over “krokette Mien”, een vriendin die zich permanent aan de Costa Blanca had gevestigd en de meeverhuisde vaderlandse horeca aldaar voorzag van zelfgemaakte vleeskroketten. ‘Lekker, maar met mate innemen.’ Over het kraanwater dat je niet kon drinken en dat je goeie goed er met het wassen zo grauw van werd.
Denia passeerde. Benissa. Op een kale heuvel het platte silhouet van een stier. Nog even.
‘Zeg Rinus, weet je dat André Hazes naar Benidorm komt? Hij gaat optreden in de arena, de plaza de toro noemen ze dat hier. Dat lijkt me nou zo geinig. Waarom ga je niet mee?’
‘Hazes? Wanneer?’ schrok ik uit mijn overpeinzing.
‘Zie je wel, ik wist dat je dat leuk vond. Dat zag ik zo. Als jij nou naar bar Amsterdam in Benidorm komt, dan zorg ik voor kaarten. Gezellig. Mien is er ook.’
Ik balanceerde tussen spijt en hoop. Spijt dat ik had gereageerd. Ik zag mezelf al tussen Gré van dooie Karel en krokette Mien staan meedeinen.
Zeg maar niets meer.
Aan de andere kant was het al meer dan tien jaar geleden dat ik André voor het laatst had zien optreden. Dit zou een mooie gelegenheid zijn.
‘Altea señor.’
De chauffeur hield stil voor mijn hotel. Ik betaalde en terwijl ik op mijn wisselgeld wachtte, legde Gré een hand op de mijne en gaf een zacht kneepje.
‘Rinus, kom nou maar. Jij bent ook alleen. Net als ik.’
Ik wist niet hoe snel ik de taxi uit moest komen, mompelde iets van ‘zeker, zeker’ en zag haar tot mijn opluchting richting Dos Estrellas vertrekken.

De hoop won het van de spijt. Ik had me aan een wandeling over de boulevard van Benidorm gewaagd, zij het met zomerhoed en zonnebril op, bang om op een onverwacht moment door een hunkerende Gré te worden overvallen. Aan een van de strandtenten hing een poster. André’s concert werd aangekondigd. De kaarten waren op verschillende adressen in de voorverkoop. Het leek me niet verstandig naar bar Amsterdam te gaan, maar Broodje van Kootje kon geen kwaad.
Een kwartier later stond ik voor het restaurant waar Miens kroketten en Kootjes broodjes in combinatie werden aangeprezen. Samen met een broodje bal, een broodje haring en andere culinaire hoogstandjes waarvan me de namen nu even niet te binnen willen schieten. Ik had de deurkruk van het restaurant nog maar nauwelijks beroerd, of alle alarmbellen gingen af. Dit kon niet waar zijn. In mijn rechterhoek naderde een blonde dame. Druk gebarend, gouden schoenen, gouden tas en een gouden visnet dat kreunend zijn gebronsde lading torste; de voortuin van Gré. Naast haar een type uit dezelfde serie, uitgevoerd in een andere kleur. Roodharig, een strakke legging in pantermotief en behangen met een hoeveelheid edelmetaal waar menig juwelier een halve etalage mee kon vullen. Dat moest Mien zijn, afgaande op haar goudbruine uiterlijk waarmee ze een wandelende reclame voor haar vleeskroketten leek.
Geef mij je angst.
Ik stond verstijfd, aarzelde een seconde, draaide om en vertrok.
Twee straten verder dook ik een Britse pub in waar ronkend kond werd gedaan van een optreden van Elvis. ‘Tonight. The King lives forever’. Hazes had ik uit mijn hoofd gezet. Misschien was dit een aardig alternatief. Mijn hoed kon op de kapstok en ik koos een plekje aan de bar.
Het was behoorlijk druk. In de achtergrond klonk zijne koninklijke hoogheid zelf om alvast in de stemming te komen. Links van de bar was een kleine, gezette man bezig met het opstellen van geluidsapparatuur. Een jochie van een jaar of tien dwarrelde om hem heen. Aan zijn figuur te zien zou het zijn zoon kunnen zijn.
Ik nam een biertje. En nog een. Tot het licht doofde en een volgspot nerveus door de bar schichtte. Uit de boxen klonk oorverdovend Die Sonnenaufgang uit Also sprach Zarathustra van Richard Strauss. De pauken dreunden, het orkestgeluid zwol aan, een volgspot zocht het publiek af.
‘Ladies and gentlemen, a warm welcome for the King, mister Elvis Presley.’
En daar stond hij op het podium. Klein en gezet, gekleed in een te krappe, witte jumpsuit met gouden stiksels; de King, waarin ik onmiddellijk de figuur herkende die een kwartier eerder nog aan de apparatuur stond te sleutelen.
Zijn Jailhouse Rock was niet onverdienstelijk en na Moody Blue en Don’t be cruel zat de stemming er zo goed in dat mijn hoed zich onder het publiek had gemengd en vrolijk van hoofd naar hoofd danste. Elvis gutste van het zweet en perste er enkele bekkenbewegingen uit die, geholpen door zijn geringe lengte, het ergste deden vermoeden over het liefdesspel in huize Presley.
Love me tender was nog maar net begonnen, toen een parfum brutaal mijn neus binnendrong. Ik kende dat parfum.
‘Hee Rinus. Wat leuk.’
Gré met krokette Mien in haar kielzog. Nog voor mijn bloeddruk zich in de gevarenzone kon begeven, klonk naast me het vriendelijk verzoek aan de dames de conversatie te staken en het woord aan de King te laten. Gré monkelde nog wat, maar hield stil.
Na enkele ballads kwam het hoogtepunt van de avond; een duet. En niet zo maar een. Elvis met zijn zoontje; Don’t cry daddy. En daar stond het jochie dat in het begin van de avond nog op het lege podium rondstruinde; in een te krappe, witte jumpsuit met gouden stiksels. Gré zocht in haar goudkleurige tas naar een zakdoek.

‘Don’t cry daddy
Daddy, please don’t cry
Daddy, you’ve still got me and little Tommy
Together we’ll find a brand new mommy…’

Ik voelde een hand op mijn linker- en een hoofd op mijn rechterschouder. Gré snikte aanvankelijk nog geluidloos maar begon, naarmate Elvis en zoonlief de familiesores verder uitdiepten, steeds luider uit te halen.
Toen de Presleys na hun toegift onder luid applaus de zaal verlieten, kwam ze langzaam tot bezinning.
‘Sorry Rinus, maar ik hield het niet meer droog.’
Dat leek een understatement. Haar mascara was uitgewaaierd tot halverwege haar wang.
‘Ik ga me even optutten. Kom Mien.’ Ze verdwenen richting damestoilet.
Ik liet mijn glas staan en haastte me naar de uitgang.
‘Ladies and gentlemen, Elvis has left the building’, was het laatste dat ik hoorde. Buiten startte een kleine, gezette man een brommertje. Een jochie van een jaar of tien kreeg een tas omgehangen en mocht achterop. Aan zijn figuur te zien zou het zijn zoon kunnen zijn.

Uit: Vakantieblues – Riny Boeijen – uitgeverij U2pi BV – isbn 978-90-8759-195-3

, , ,

Comments are closed.

Hofstijl, het laatste woord uit Den Haag