Vakantieblues: Born to run

Born-To-Run

Kamperen is niet echt mijn favoriete bezigheid. Ik vind het gedoe. Dat gehannes met een tent, koken op een gaspitje, douchen in een toiletgebouw. Die enkele keer dat ik mij aan zo’n avontuur heb gewaagd, keek ik dan ook met jaloerse blik naar mijn medebewoners. Fluitend, met handdoek en rol toiletpapier onder de arm, het ochtendritueel tegemoet lopend. Niets voor mij. Mijn stoelgang leent zich daar niet voor. Ik ben voorzien van een rotgang. Als mijn lijf aangeeft dat het moet, dan moet het. Uitstel wordt niet geduld.
Dat deze eigenschap ook buiten een camping knap lastig kan zijn, ondervond ik tijdens mijn eerste reizen door Indonesië. Het tijdsverschil, de vochtige hitte en de Indonesische keuken hadden mijn lichaam danig in verwarring gebracht. De anders zo nauwkeurig afgestelde afvoer was van slag. Normaal gesproken volstond het als ik mij in de ochtenduren verzekerd wist van een toilet. Geen centje pijn. Maar in Indonesië niet. Bovendien waren de toiletten daar van een ander soort dan ik gewend was. De ene keer herkende ik een Frans model met twee voetafdrukken en een gat. De andere keer genoot ik de vrijheid mijn voeten te plaatsen waar ik dat wenste.
In Noord-Sumatra had ik de beschikking over een buitentoilet; een uit bamboestammen opgetrokken hutje dat boven een snelstromende kali hing, met in het midden een gat dat niet te missen viel.
Ik kan me nog de nacht herinneren dat ik ziek in die gammele stellage heb gehangen. Slechts gekleed in onderbroek was ik vanuit mijn eenvoudige cabin op palen de nacht ingevlucht. En ik was te laat. De vis die ik die avond had verorberd werd door mijn lijf niet geaccepteerd en door alle mogelijke uitgangen teruggegeven. Pas na een uur werd het rustig. Mijn onderbroek had in alle hectiek een onvrijwillige duik in de kali genomen, zodat ik vol schaamte de aftocht aanvaardde.
De volgende dag ben ik mijn bed niet uit geweest. Laat in de middag kwam een bediende vragen hoe het met me ging.
‘Mister sakit?’
‘Ziek ja. Van die vis van jullie,’ wilde ik er achteraan zeggen, maar zijn bezorgdheid was te gemeend om hem daar op aan te spreken.
‘Moment mister.‘
Hij vertrok om na een kwartier weer voor mijn deur te staan met thee, geroosterd brood en twee bananen. De verrassing had hij voor het laatst bewaard.
‘Here mister, from you.’
In zijn hand mijn onderbroek. Gewassen en gestreken.

In Medan, de hoofdstad van Sumatra, werd ik voor het eerst geconfronteerd met een voor mij onbekend fenomeen; de gayung, het best te omschrijven als een steelpan. Zo’n gayung gebruik je om te mandiën ofwel te douchen. In de meer eenvoudige hotels of pensions tref je in de badkamer meestal een betonnen bak aan met koud stromend water. Het is de bedoeling om met de gayung een schep water uit die bak te halen en over je heen te plenzen. Uiterst verfrissend en milieuvriendelijk. De Indonesiër gebruikt de gayung ook om zijn billen te wassen. Dat wassen gebeurt met de linkerhand, die daarom een onreine status heeft gekregen. Toiletpapier is alleen besteed aan westerse toeristen.
Lopend door het centrum van Medan vroegen mijn darmen ietwat luidruchtig om aandacht. Ik wist meteen hoe laat het was en hield een parkeerwachter aan om te vragen naar een openbaar toilet. Ik had geluk. Het grijs betonnen gebouwtje stond op nog geen tweehonderd meter.
Een zucht van verlichting werd direct gevolgd door ontzetting. Er was geen toiletpapier. Het zweet gutste van mijn hoofd. Naast het bekende gat stond een emmer water waaruit het handvat van een gayung stak. Mijn lijf had daar allemaal geen oog voor en gaf met een stekende scheut aan dat het tijd was. Ik wist mijn lading redelijk te lossen. Op mijn hurken zittend zag ik in gedachten een campinggast fluitend met toiletrol onder de arm voorbijkomen. Hoezo gedoe? Die gayung, dat was gedoe. Want hoe ik ook goot, het water kwam overal terecht behalve waar het wezen moest. Ik heb met mijn reine hand gegoten en met mijn onreine. Gehurkt, gebukt, staand. Niets hielp. Uiteindelijk ben ik met een rood hoofd en kletsnatte broek het gebouw uitgelopen en op het dichtstbijzijnde bankje in de zon gaan zitten drogen.

Het kon allemaal nog erger. Yogjakarta is voor een cultuur minnend toerist the place to be met de Jalan Malioboro als een van de onbetwiste hoogtepunten. Een drukke straat bezaaid met naaiateliers, stalletjes, winkeltjes en galerietjes vol houtsnijwerk, kleurige stoffen, zilveren sieraden en schilderijen. Ik was een tawar-gevecht aangegaan met een verkoper van batik stoffen. Een spel van loven en bieden tot op het scherpst van de snede. De verkoper jammert, kreunt, trekt rare grimassen, alles in een poging de klant duidelijk te maken dat het bod bij lange na niet genoeg is om de koop te sluiten. Maar uiteindelijk zal hij lachend door de knieën gaan om zich verzekerd te weten van een goede prijs.
De onderhandelingen waren nog in volle gang toen ik een pijnscheut in mijn onderbuik kreeg. Ik deed een bod dat de verkoper onmogelijk kon weigeren. Voorwaarde was dat ik gebruik mocht maken van de kamar kecil – letterlijk vertaald; de kleine kamer – en wees naar mijn buik. Verbaasd maar ook bezorgd ging hij me voor naar het atelier.
Bij het openen van de deur deinsde ik even terug. Het was niet het lawaai van de snorrende naaimachines of de muziek die erboven uit schreeuwde. Het waren de veertig paar ogen die allemaal op mij waren gericht. Lachende ogen, verraste ogen, flirtende ogen. ‘Hello, hello mister‘ klonk het uit alle hoeken en gaten. Ik wist niets anders dan wat stijfjes te buigen en terug te lachen, hoewel alles in mijn lichaam zei dat ik wat anders had te doen. En snel.
De verkoper liep langs de eerste rij naaisters naar een deur die schuin in een smalle, bamboe afscheiding hing. Ik hoopte dat die zou leiden naar een plek waar ik in alle rust kon doen wat ik moest doen. Ongeacht hoe die plek er ook uitzag. Het bleek de toiletdeur. Een vertrouwde closetpot met slijtplekken op de rand, omdat de meeste gebruikers de hun zo vertrouwde hurkzit niet wensten af te leren. In de hoek een emmer water met een gayung. Ik bedankte de verkoper en sloot de deur achter me. De geluiden uit het atelier verminderden nauwelijks.
Ik heb nog een euvele poging gedaan de natuur op andere gedachten te brengen, maar moest bakzeil halen. Er was geen houden aan. Luid sputterend ontdeed mijn lichaam zich van haar afvalstoffen. ‘Cause tramps like us, baby we were born to run’ hoorde ik Bruce Springsteen zingen. Ik schaamde me. Voor het geluid dat ik maakte, maar vooral voor de niet te beschrijven stank. Er wordt gezegd dat je eigen geur onder alle omstandigheden te verdragen is en soms zelfs aangenaam. Hoe valt anders te verklaren dat er mensen zijn die tijdens de dagelijkse zit hun ochtendkrant uitlezen. Maar deze geur was niet te harden. Dit was niet van mij, hoorde niet bij mij.
De worsteling met de gayung was de kers op de taart. Het lukte me weer niet zonder waterschade mijn lijf te reinigen. Een plens landde vol in het kruis van mijn broek. En Bruce Springsteen galmde maar door, begeleid door het ratelen van de naaimachines en een frêle stemgeluid vlak achter de toiletdeur.
Hoe lang ik heb gewacht om de stap te wagen, weet ik niet. Ik heb de deur geopend, zo snel mogelijk achter me dichtgetrokken en achteruitlopend het atelier verlaten. Beschaamd om de natte zolder in mijn broek aan de dames te tonen.

Sinds mijn avontuur in Yogjakarta kan ik Bruce Springsteens Born to run niet meer horen zonder er zeker van te zijn een toilet in de buurt te hebben.

Uit: Vakantieblues – Riny Boeijen – uitgeverij U2pi BV – isbn 978-90-8759-195-3

, , , , , ,

2 Responses to Vakantieblues: Born to run

  1. Frans september 12, 2012 at 3:55 pm #

    wat een geweldig verhaal!!

    • Riny Boeijen september 13, 2012 at 8:35 pm #

      Dank je Frans!

Hofstijl, het laatste woord uit Den Haag