Vakantieblues: Nekkie

Nekkie

Hoe Nekkie eigenlijk heette, weet ik niet meer. Hij had zijn bijnaam gekregen van een Noord-Hollandse brunette die ik de avond tevoren had ontmoet in een bar in Kuta; Marijke. Ik had nog een paar dagen Bali voor de boeg en dan zat mijn verblijf in Indonesië er op.
Marijke was na een rondreis door Sumatra en Java samen met haar reisgenoten neergestreken in Kuta. Ze had om een vuurtje gevraagd en aan haar zangerige, Zaans klinkend accent meende ik iets van mijn oude woonomgeving te herkennen. Ik zat er niet ver naast. Ze woonde in Heemskerk. Ons gesprek ging al rap over Indonesië. Het was de eerste keer dat ze het land bezocht en haar liefde voor de archipel leek nu al onvoorwaardelijk.
‘Die prachtige natuur, die prachtige mensen. En altijd vriendelijk, altijd maar lachen, terwijl ze zo weinig hebben. Je mag het niet vergelijken, maar …’
En dat deed ze toch. Normaal gesproken voor mij het sein het gesprek te beëindigen. Ik kende die verhalen, had ze ook ooit verteld, maar wist ondertussen beter. Die vriendelijkheid was uit nood geboren. De straatschoffies wisten dat je een balpen, een schrift, snoep of geld eerder kreeg met een glimlach op je gezicht dan met een chagrijnig ponem. Dat gold ook voor hun vaders en moeders die elke dag opnieuw met enig gevoel voor opportunisme hun kostje bij elkaar probeerden te scharrelen. Er is me ooit een mand kippen, een emmer ganzeneieren en zelfs een kind aangeboden. Met een glimlach. Die toeristen waren immers gekke lui. Je kon nooit weten.
Maar Marijke was leuk en het vooruitzicht na vier weken weer in mijn moerstaal te kunnen spreken aantrekkelijk. Op haar vraag morgen met de groep op excursie te gaan, zei ik dan ook geen ‘nee’. De Batukaru-tempel stond op het programma en daarna de heetwaterbronnen vlakbij Penatahan aan de oevers van de Yeh-Ho-rivier.

Het reisgezelschap telde een tiental mannen en vrouwen, in leeftijd variërend van halfweg dertig tot oud. De groep stond onder aanvoering van een Indonesische gids die zijn Engels met een zwaar accent door een megafoon joeg en voor de zekerheid de kernwoorden uit zijn betoog herhaalde. Bij de Batukaru-tempel probeerde ik mijn opgelopen tempelmoeheid te verdrijven door aandachtig naar de gids te luisteren.
‘Here king Panja Sankti attacked the temple, attacked the temple. But then the became and he had to flee, had to flee.’
Then the became? Ik liep op de gids toe en vroeg om uitleg. De man hoorde me aan en bracht zijn roeptoeter in stelling. En terwijl ik me omdraaide en in de glimlach van Marijke bleef hangen, richtte hij zijn klaroen op mijn oorschelp en schalde in tientallen decibels dat hij ‘bijen’ had bedoeld; then the bee came. Bijen, waarvan de nagalm pas uit mijn hoofd wegtrok toen ik mij in een van de heetwaterbronnen aan de Ye-Ho-rivier had laten zakken.
Marijke was naast me komen zitten. Samen keken we naar de man die ze Nekkie had gedoopt. Een veertiger met een goed getraind, gebruind lijf waarop geen enkele haar te bekennen was. Alleen dat hoofd. Dat leek van een andere romp afkomstig. Grijzend kort geknipt haar, een haakneus, een gedateerde bril met dikke glazen. Bovendien stond het schuin op de rest van zijn lichaam, in een perfecte hoek, waardoor zijn nek op een gekantelde piramide leek. Hij had weinig contact met de rest van de groep en ging er vaak alleen op uit, vertelde Marijke.
Dat bleek een paar uur later toen het gezelschap zich rond de bus had verzameld om te vertrekken. Iedereen was er, behalve Nekkie. Aanvankelijk hield de groep zich nog rustig. Maar toen de wachttijd begon op te lopen naar een half uur en ik de neiging luidkeels ‘Nèèkkie, Nèèkkie’ te gaan roepen nog net kon onderdrukken, werd de stemming grimmiger. Juist op dat moment klonk er een bedeesde stem.
‘Hallo, ik ben hier.’
En daar stond Nekkie. Volledig naakt met enkel een handdoek voor. Trillend als de zinderende zomerhitte boven het asfalt. Geknakt, maar dat kon ook aan die omgevallen piramide liggen.
‘Wat heb jij gedaan?‘ vroeg Marijke die meteen op hem af liep.
Na enig horten en stoten kwam het verhaal eruit. Nekkie was beroofd. Hij had de vrije besteding van de middag gewijd aan de herenliefde. Zijn amoureuze uitstapje met een lokale pretnicht was begonnen in een van de heetwaterbronnen en geëindigd op het toilet, waar een handlanger tijdens het liefdesspel niet alleen zijn portefeuille, maar ook zijn volledige garderobe had geconfisqueerd. Met een glimlach waarschijnlijk.
Terwijl Marijke zich over hem ontfermde, was de gids begonnen een veldwachter te mobiliseren. Even later verschenen twee uniformen, waarvan het meest arrogante het woord voerde. Ze lieten zich naar het slachtoffer leiden dat inmiddels zijn adamskostuum had verruild voor een T-shirt en een korte broek. Een prijskaartje bungelde tussen zijn geschoren benen. Nekkie werd met enige minachting gemonsterd, waarna hij het hele verhaal moest opbiechten. De roeptoeter fungeerde als tolk.
‘Met een man?’ herhaalde het uniform nadrukkelijk.
Nekkie boog het moede hoofd. De spits van de piramide werd langer en puntiger. In zijn portefeuille zaten een bankpasje, een paar honderdduizend rupiah en 300 dollar.
‘Op het toilet,’ noteerde het uniform.
‘En wat was de naam van die ….. man?‘
Die formaliteiten had Nekkie blijkbaar achterwege gelaten. Hij wist nog wel te vertellen dat de jongeling een moedervlek had. En even meende ik zijn ogen te zien oplichten.
‘Op zijn ….. linker bil.’
‘Links?’ verifieerde het uniform. Hij vroeg nog net niet naar een situatieschets. Het uniform eindigde de vernedering met de mededeling dat het zonder naam moeilijk zou zijn om de dader te achterhalen.
‘Maar ik doe mijn uiterste best’, beloofde hij met een glimlach.

Op de terugweg was het stil in de bus. Zelfs Marijke had geen woorden. Tot we de straten van Kuta binnenreden.
‘Ik heb een idee. Laten we de hele groep om een bijdrage vragen. Jij doet ook mee. Vanavond gaan we allemaal naar de karaoke-bar en zal ik dat liedje zingen van Gloria Gaynor; I will survive. Dat vinden homo’s toch mooi? Daarna geef ik hem de enveloppe. Leuk toch? Want hij is best zielig.’
Ik had niet het idee dat ze een antwoord van me verwachtte. Een beetje zielig was Nekkie misschien wel, maar onder die piramide school ook een liefhebber. Eigen schuld, dikke lul, of zoiets. Toch ging ik overstag, net als de rest van de groep.

‘s Avonds liep Marijke wat gespannen rond. Ze had de enveloppe bij zich, maar er was een probleem. Ze wist niet hoe Nekkie heette en vond dat zijn naam op de enveloppe moest. Ik opperde voorzichtig dat ik wellicht een andere oplossing had.
Marijke glom. ‘Van je reis genoten’, stond er in meisjeshandschrift. Toen ik het las, kon ik de behoefte een vraagteken achter de tekst te zetten maar nauwelijks onderdrukken.
Marijke zong de sterren van de Balinese hemel. Nekkie keek of hij het lied voor het eerst hoorde en pinkte een traan weg. Terwijl het applaus wegebde, nam hij de enveloppe in ontvangst. Met een glimlach.

Uit: Vakantieblues – Riny Boeijen – uitgeverij U2pi BV – isbn 978-90-8759-195-3

, , , , ,

Comments are closed.

Hofstijl, het laatste woord uit Den Haag