Vakantieblues: Opera

opera

Een groepsreis. Sommigen walgen bij het idee, anderen willen niet anders. Beide opvattingen gaan me te ver. Ik heb me een enkele keer aan een groepsreis gewaagd en overleefd.

Mijn laatste ervaring betrof een reis door Toscane; de pronte boezem van Italië. Het gezelschap bestond uit een veertigtal dames en heren wier gemiddelde leeftijd dankzij mij nog net beneden vijfenzeventig jaar bleef. Opvallend was de discipline van het gezelschap. Zelfs de eigenheimers die vlak voor vertrek de voorste rij stoelen hadden geconfisqueerd door er jassen, tassen, een paar elastieken kousen en een wandelstok te deponeren, gingen voor de bijl. Oorsuizingen, hoge en lage bloeddruk, artrose, suiker, incontinentie en ander ongemak; het mocht allemaal niet baten. Elke volgende dag diende het gezelschap ter linkerzijde van de bus twee plaatsen naar voren te schuiven en ter rechterzijde twee plaatsen naar achteren. En zo geschiedde. Dat alles dankzij de bezielende leiding van onze chauffeur Henk; een vijftiger afkomstig uit Almelo met langgerekte o, waardoor de door hem zo gewenste associatie met cabaretier Herman Finkers niet lang kon uitblijven.

Het meest in het oor springend onderdeel van de groep was een tweetal bovengemiddelde dames uit de buurt van ‘s-Hertogenbosch; Truus en Marie. Truus had van de twee de leidende partij. Dat had alles te maken met haar luide, penetrante stem die het midden hield tussen het timbre van Carrie Tefsen in haar rol als Mien Dobbelsteen in de serie Zeg ‘ns Aaa en het vocaal van Marc-Marie Huijbregts. Dat dus, gecombineerd met een dodelijke timing.

Truus en Marie hadden zich naast mij geposteerd. Slechts het gangpad scheidde ons, waar een dubbel geïsoleerde betonnen muur nog niet genoeg zou zijn geweest om mij te vrijwaren van de kwakende Truus. Die had het plateautje aan de stoelrug van haar voorganger uitgeklapt en daarop een landkaart uitgespreid. ‘Want ik wil wel graog weten waor ik ben.’ Wat heel iets anders betekende dan dat ik graag wilde weten waar Truus was.

Enkele dagen voor ik aan de reis begon moet ik deze situatie hebben voorvoeld. Waarom anders zou ik het complete oeuvre van Jimi Hendrix op mijn mp3-speler hebben gezet. Hij was de enige die Truus eronder had gekregen. Maar in de haast was ik het ding vergeten mee te nemen, waardoor ik ook niet ontkwam aan het arsenaal slechte grappen van Henk die – zijn briljante plaatsgenoot indachtig – met name over zijn broer gingen. Ik zal u één voorbeeld geven en er daarna voor eeuwig over zwijgen.

‘Zijn er oook gelooovigen onder u?’

Gelukkig had Truus de vraag niet gehoord. Die was te druk bezig na te gaan waar ze was.

‘Ik geloof dawwe hier daodelijk de grote weg op moeten, richting Frenkfurt.’

‘Moooi,‘ ging Henk verder. ‘Mijn broer, u weet wel die andere buschauffeur, stond samen met de pastooor bij Petrus aan de hemelpooort. “Aah, onze buschauffeur, de broer van Henk”, zei Petrus tegen mijn broer. “Voor jou heb ik een moooi plaatsje in de hemel gereserveerd. Kom binnen. En jij”, richtte hij zich tot de pastooor, “jij gaat naar de hel”.’

‘Ziedewel, we gaon naar Frenkfurt,‘ galmde het navigatiesysteem naast me.

‘De pastooor keek Petrus ongeloovig aan. “Maar Petrus, ik heb mijn hele leven aan de Heer gewijd?”

“Moet jij eens goed luisteren pastooor. Bij jou in de kerk kwamen steeds minder mensen en werd er nauwelijks tot de Heer gebeden. Je had een vooorbeeld moeten nemen aan de broer van Henk. Als die met een volle bus op stap ging, bad iedereen tot de Heer. De hele reis lang”.’

Ik had een moord willen doen voor Manic Depression of Stone Free, maar Hendrix lag thuis op de keukentafel.

Na twee dagen bereikten we Montecatini, de standplaats van waaruit de volledige boezem van Italïe kon worden bestreken. Inmiddels had ik een methode gevonden om mijn ergernis over het stemgeluid van Truus af te reageren. Het slachtoffer heette Marie, de reisgenote van Truus. Het was per ongeluk ontstaan, zo maar op een ochtend tijdens het ontbijt.

‘Vatte gij geen goeie botter Marie?’

Ik heb geen last van ochtendhumeur, maar zelfs aan de andere kant van de ontbijtzaal knapte er iets in me. Ik draaide me om en keek in het gezicht van Marie. Mijn blik stond op orkaankracht. Van de hoogste categorie. Marie zag mijn tsunami gifpijlen op zich af komen rollen en maakte zich kleiner. Ze sloeg haar ogen neer en keek daarna verontschuldigend richting Truus.

‘Waarom zegde gij niks?‘ klepte Truus verder. ‘Ik vat nou goeie botter. Thuis gao ik wel weer aan munne Becel.’

Opnieuw vuurde ik een salvo af. Marie durfde niet meer te bewegen, verschrompelde, werd vermorzeld onder de golven gif die over haar heen spoelden. Het voelde als euforie, als wellust. Bijna smekend fluisterde ze Truus iets toe.

‘Wat zegde nou? Ik kan oe niet verstaon. Praot eens wat harder.’

Ik hoorde niets meer. De macht over Marie had me doofgemaakt voor Truus. In gedachten zag ik Hendrix naar zijn versterker lopen om een tandje terug te schakelen.

Het hoogtepunt van de reis kwam uit onverwachte hoek. In het hotel werd kond gedaan van een uitvoering van La Traviata, een opera van Guiseppe Verdi. Het stuk werd opgevoerd in het plaatselijke theater en volgens de receptie waren er nog kaarten beschikbaar. Ik ben geen operaman en mijn Italiaans reikt tot een halve menukaart, maar het ging me om de sfeer en om de muziek.

Het plaatselijke theater was niet veel meer dan een voormalige circustent. De cast werd gevormd door sopraan Violetta en de tenoren Alfredo en zijn vader. Het orkest was blijkbaar sluitstuk van de begroting, want bestond uit één pianist wiens mimiek tijdens het spelen deed vermoeden dat ook hij op de nominatie stond te worden wegbezuinigd. Het decor had de sanering al achter de rug en was opgebouwd uit afdankertjes van de lokale Vincentiusvereniging. Met de sfeer zat het wel goed.

Ik bevond me in een bont gezelschap van toeristen en inwoners van Montecatini. Naast me zat een kleine, gedrongen Italiaan, gekleed in stemmig zwart; Beppe. In zijn rechterhand een gesteven zakdoek waarmee hij bij voortduring zijn voorhoofd depte. Ik had zijn ‘goede avond’ in het Italiaans beantwoord wat voor hem aanleiding was een verhaal op te hangen dat zo’n tien minuten duurde. Ik begreep er geen woord van, maar de klank en de mimiek waren van zo’n theatrale schoonheid dat ik de aankomst van Truus en Marie twee rijen achter me niet eens had gemerkt. Ik stelde me voor dat Beppe het verhaal van La Traviata vertelde. Over de liefde tussen de rijke courtisane Violetta en haar aanbidder Alfredo. Over het leven dat ze samen leefden op het platteland; voor Alfredo een paradijs, voor Violetta een gruwel. Zij wilde terug naar de stad, terug naar de rijkdom. Over de rol van de vader van Alfredo en over het onvermijdelijke sterven van Violetta, dat het drama completeerde.

De gong klonk. De lichten doofden. Het geroezemoes ebde weg. De gehele cast had zich verzameld rond een wankel tafeltje voorzien van twee kandelaars gevuld met een waxinelichtje. Er werd vrolijk gezongen en zelfs een enkel danspasje gemaakt. Naast me zat Beppe mee te deinen, zijn voorhoofd deppend in de maat.

Het enthousiasme van de zaal bereikte haar eerste hoogtepunt toen het eenmansorkest de eerste maten van Brindisi, het drinklied, inzette. Beppe hield het niet meer en veerde op uit zijn stoel. Hij hief zijn armen ten hemel, depte het voorhoofd en bracht vervolgens in verrukking zijn gebalde vuisten naar zijn mond.

‘Dat ken ik. Dat is van André Rieu,’ braakte de wandelende TomTom van twee rijen achter uit. Ik draaide me om en zocht Marie die zich bij ons eerste oogcontact in haar stoel liet wegzakken, veilig achter de rug van haar voorganger.

Dan de apotheose. Beppe wist niet meer waar hij het had. Hij applaudiseerde, riep ‘bravissimo, bravissimo’, sloeg op mijn schouder en veegde met rappe korte streken de tranen weg die over zijn wang biggelden.

Het tweede bedrijf was een stuk zwaarder. Violetta was wanhopig, Alfredo verteerd door wanhoop en verdriet. Zelfs de pianist boog steeds dieper het hoofd en torste een zware last op zijn gekromde schouders. Beppe depte niet alleen zijn voorhoofd, maar ook zijn ogen en neus leden aan vochtverlies.

Terwijl Alfredo nog eens aanzette en zijn mond wijd opensperde, dwarrelde een mot richting het gapende gat. Ik keek naar Beppe. Die gaf geen krimp. De mot aarzelde. Opeens moest ik denken aan Dommel, een van de zeven dwergen uit de tekenfilm van Walt Disney over Sneeuwwitje. Dommel sliep meestal en soms met zijn mond open waar een vlieg ongestoord in- en uitvloog. Gelukkig. De mot verkoos de nachtkaars die naast het bed stond en kwam in een sterfscene terecht die verraderlijk echt leek.

In het laatste bedrijf was ik weer volledig bij de les, gegrepen door de machtige stem van Alfredo en een enthousiast in mijn zij porrende Beppe, een verfrommelde zakdoek in zijn knuisten geklemd. Bij de sterfscene werd zelfs ik bevangen door emotie en voelde een traan opwellen. Even was het doodstil. Er begon een hond te huilen. Luid en duidelijk.

‘Hoorde dat? Diejen hond heeft het al aon voelen komen.’

Truus.

Beppe stoof overeind, wierp een blik naar achter en bitste: ‘Silenzio.’ Marie lag tussen rij 27 en 28 op de grond.

De finale, het applaus. ‘Bravissimo, bravissimo’, sprong Beppe en depte, snotterde en applaudisseerde. Hij keek me aan en omhelsde me. Keek me weer aan, pakte me vast, zoende me op beide wangen en veegde met een koude, natte zakdoek mijn eerste operatraan weg.

Een groepsreis naar Toscane, La Traviata, Beppe. Ik kan het u aanbevelen. Maar vergeet niet een mp3-speler en een schone zakdoek mee te nemen.

(foto: David Ortez / Creative Commons BY)

Uit: Vakantieblues – Riny Boeijen – uitgeverij U2pi BV – isbn 978-90-8759-195-3

, , , , ,

Comments are closed.

Hofstijl, het laatste woord uit Den Haag