Vakantieblues: trouwen in Jakarta

Van-Morrison-Brown-Eyed-Girl

‘Waarom in Jakarta trouwen? Ga naar Bali. Dat doen alle buitenlanders.’

Maar ik wilde in de geboortestad van mijn geliefde; Jakarta of, zoals in haar paspoort staat, Batavia. En dat had het humeur van de geüniformeerde ambtenaar er niet beter op gemaakt.

‘Die stad bestaat niet meer. Het is Jakarta’, had hij geagiteerd geroepen.

Aan de voorbereiding had het niet gelegen. In Indonesië is het kerkelijk huwelijk belangrijker dan de wettelijke verbintenis, dus was het zaak in Nederland een afgezant van Hem te vinden die bereid was ons beider huwelijksverleden met de mantel der liefde te bedekken. Het werd een pater Jezuïet die voor een kistje goede wijn met enkele forse halen van de wijwaterkwast onze gelofte bezegelde. Die zat in de tas.

Wettelijk lag de zaak iets ingewikkelder. Doopcelen, uittreksels uit registers waarvan ik het bestaan niet eens vermoedde, kopieën van paspoorten. Het Ministerie van Buitenlandse Zaken hield niet van half werk. Stapels papieren verleden gingen richting Den Haag om de surat ketangenan te bemachtigen; de vrijbrief.

Ondanks dat het fraaie zegel met bijpassend stempel op de doopakte van mijn aanstaande bruid van de lokale waterleidingmaatschappij bleek te zijn, viel twee maanden later de brief in de bus. Zijne Excellentie verklaarde persoonlijk dat wat hem betreft het feest kon beginnen. Het zou een koud kunstje worden.

In het gebouw van de Catatan Cipil was het drukkend warm. De wachtende lokalo’s gebaarden ons vooral voor te gaan, veel te nieuwsgierig naar wat die twee vreemdelingen te zoeken hadden bij de burgerlijke stand. Gezamenlijk keken we in spanning naar de ambtenaar die op badslippers de woorden van de Minister tot zich nam. De man leek niet erg onder de indruk en haalde zijn chef erbij. Het argument dat ik een boterbriefje uit Jakarta wilde omdat mijn aanstaande bruid er het levenslicht had gezien, ontlokte slechts een verveelde zucht.

Op enige weerstand voorbereid haalde ik onze paspoorten uit mijn rugzak en gaf ze ongevraagd aan de chef. Aan de onderkant was een streepje van twee tien dollarbiljetten zichtbaar. Even kneep hij zijn ogen samen, draaide zich om en liep naar zijn kantoor. Een paar minuten later kreeg ik de paspoorten terug en bleek hij bereid het verzoek aan zijn superieur voor te leggen. Ondertussen moesten wij in de stad foto’s voor de trouwakte laten maken.

Met dat lichtpuntje verlieten we het gebouw, op zoek naar onze chauffeur Jozef. Hij zou vast een fotograaf weten.

Na vijf weken Sumatra proefde Jakarta als een bord pap na een vijf gangen diner in een sterrenrestaurant. Overbodig en uit de toon. Hitte, herrie, de stank van uitlaatgassen. Geen groen, geen meren of onrustige rivieren, maar grauw en trage kali’s waarin het huisvuil als een dikke brij voortkroop. Alleen de liefde zou dit nagerecht kunnen veranderen in een crème brûlée. Met dat gevoel zochten we op de luchthaven naar Jozef, onze chauffeur. Drie dagen moesten genoeg zijn om die liefde in Indonesië op papier te krijgen.

‘Is alles geregeld?’ vroeg hij belangstellend.

Er was niets geregeld. We hadden foto’s nodig en liefst nog vandaag. ‘

‘Geen probleem,’ zei Jozef, die zo klein was dat hij bijna moest gaan staan om over het stuur te kunnen kijken. We sloten aan in de eeuwigdurende file die zich als een dampende, zilveren slang door het centrum van Jakarta slingerde. In het dashboard lagen enkele cassettes. Van Morrison. A Sense Of Wonder, las ik. Niet het werk waar ik voor op de banken ging, maar Van the Man had dit ook meer voor kerkbanken geschreven. En Jozef was van de kerkbanken, een overtuigd christen.

Het duurde drie uur voor we een fotozaak hadden gevonden. Onderweg had ik Zijn naam een aantal keer samen met mijn teleurstelling weg moeten slikken. Ik wilde Jozef niet in verlegenheid brengen. ‘Klaar terwijl u wacht’ gold blijkbaar alleen voor de verkopers van bami en roedjak met hun rijdende stalletjes, niet voor portretmakers.

De ambtenaar van de burgerlijke stand had minder moeite de hogere macht aan te roepen. Bij het zien van de foto’s werd Allah in woord en gebaar verzocht zijn toorn over deze westerse barbaren af te roepen.

Ik keek naar mijn foto en zag een glimmend gezicht met gezwollen ogen, het opschrift Hard Rock Café Jakarta op mijn bezwete T-shirt nog net zichtbaar. Wat was hier in godsnaam mis mee?

‘Alles,’ volgens de groene muis die ook op badslippers stond. ‘Dit is een belediging van onze Bapak. U schoffeert ons land. In Indonesië is trouwen een serieuze aangelegenheid. Blijkbaar ligt dat in het westen anders.’

Nu ik behalve Allah ook nog president Suharto tegen me in het harnas had gejaagd, zat er niets anders op dan ons te verkleden en de resterende schaarse uren in een paar nieuwe portretjes te investeren.

Jozef probeerde met Van Morisson de stemming weer op peil te brengen. Met The Master’s Eyes op de speakers reden we naar het hotel. Louise kleedde zich in haar traditionele sarong en kabaja en ik hees me in mijn jas toetoep, een tropenkostuum dat ik in Palembang had laten maken. Mooier dan onze trouwkleding hadden we niet. Dat moesten Allah en Suharto toch begrijpen. Maar of dat ook zo was, zouden we pas morgen te weten komen, want met de nieuwe foto’s voor de deur van de burgerlijke stand bleek die ondertussen gesloten.

Een dag voorbij en enkel een paar foto’s gescoord. Zouden we het wel halen? Die gedachte hield me die nacht uit mijn slaap. Louise was liefdevol naast me gekropen en kroelde door mijn haar. Ergens riep een tokeh, een gekko. Luid en duidelijk.

‘Zeven keer’, zei Louise. ‘Je mag een wens doen. En?’

‘Ik heb gewenst dat het beest voor de rest van de nacht zijn kop houdt,’ bromde ik. Louise draaide zich om. Het was duidelijk nog geen tijd voor de liefde.

De groene dienstklopper op slippers liet bij het zien van de foto’s een goedkeurend gebrom horen. We mochten op audiëntie bij zijn superieur.

De man in kwestie ontving ons in een balzaal, waar de temperatuur aanzienlijk draaglijker was dan in het kantoor van zijn discipelen. Uit het feit dat hij op gewone schoenen liep en rijkelijk behangen was met versierselen mocht ik opmaken dat we waren doorgedrongen tot de top.

Na wat inleidende beschietingen kwam ook hij met de vraag waarom we in Jakarta wilden trouwen. Dit keer had ik me voorgenomen iets meer nostalgische ingrediënten aan mijn betoog toe te voegen.

‘Pak, Jakarta is de geboortegrond van Louise. Haar placenta ligt hier begraven. Daarom is ze een kind van uw land, van Indonesië en draagt ze ook de schoonheid van uw land.’

Vanachter de man keken Suharto en Sutrisno me recht in de ogen. De man lachte minzaam en gunde ‘mijn schoonheid’ geen blik waardig. Dit ging tussen ons, tussen mannen.

‘Bent u ook op Java geboren?’ vroeg ik.

Hij knikte alsof dat een vanzelfsprekendheid was. ‘Dan zult u ongetwijfeld begrijpen waarom ze niet naar Bali wil om te trouwen.’

Hij begon te lachen.

‘U bent een verstandig man’, zei hij en pakte een lege enveloppe uit zijn bureaulade. ‘Ik ben ook voorzitter van de personeelsvereniging. Die stelt uw financiële bijdrage zeer op prijs. Het zou toch leuk zijn als u morgenochtend om elf uur kunt trouwen’, en gaf me de enveloppe.

Ik vloekte inwendig en besefte dat ik weinig keus had. Maar wat moest ik geven?

‘Pak, met permissie, hoe groot is die personeelsvereniging eigenlijk? Ik zou u niet willen beledigen met mijn donatie.’

‘Tweehonderd. Onze vereniging heeft tweehonderd leden’, antwoordde hij.

Ik stopte tweehonderd dollar in de enveloppe, likte de gomstrook en sloot hem. Een daad van niks, maar hij zou hem in ieder geval open moeten scheuren alvorens de inhoud in eigen zak te kunnen steken.

‘O ja, nog een klein dingetje,’ zei hij terwijl de enveloppe in zijn binnenzak verdween.

Of ik de brief van het Ministerie wilde laten vertalen. Door een beëdigd vertaler uiteraard. Ik keek Louise aan. Waar vonden we een beëdigd vertaler die ook nog in staat was zo’n klus voor morgenochtend te klaren?

‘Als u wilt, weet ik wel iemand,‘ ging hij verder en pakte een pen en zijn visitekaartje. ‘Dit is het adres. Zegt u maar dat ik u heb gestuurd. Ik wens u nog veel plezier in ons prachtige land.’

Jozef, ook uit dit prachtige land, reageerde als een Indonesiër en deed of hij het hele verhaal niet had gehoord. Dat adres van die vertaler wist hij wel. Hij deed een greep in de cassettes en keek in de spiegel naar Louise.

‘Speciaal voor jou; Brown Eyed Girl.’ En hij stuurde het busje door de verstopte aders van de Aziatische metropool.

De vertaler was een ietwat norse, oudere man. Hij bekeek de brief en zei dat ik volgende week dinsdag de vertaling kon ophalen. Onmiddellijk lag Zijn naam voor in mijn mond, maar met Jozef in mijn rug kon ik me beheersen.

‘Pak, deze brief is erg belangrijk. Wij willen morgen trouwen.’

Ik liet hem het visitekaartje zien. Zijn norsheid verdween. Toen hij even later zijn tarief noemde, begreep ik waarom. Morgenvroeg zeven uur was de vertaling klaar.

Op weg naar het hotel sprak ik met Jozef af ons om zes uur ’s ochtends op te halen. Liever een paar uur wachten bij de burgerlijke stand, dan een minuut te laat.

Dag twee was voorbij. Behalve tweehonderd dollar lichter, lag er een brief bij de vertaler en hadden we een vage toezegging morgenochtend om elf uur te kunnen trouwen. Slaap daar maar eens rustig van. De tokeh hield wijselijk zijn bek.

Het ontbijt wilde die ochtend niet smaken. Ik was bloednerveus. Niet omdat het onze trouwdag was, maar de vraag of het feest wel doorging speelde me parten. Die nervositeit werd nog groter toen Jozef uit het busje stapte. Strak in het pak, overhemd, stropdas. Hij nam zijn taak als getuige serieus. En wij? Wij leken in onze traditionele kledij zo uit een koloniaal museum te zijn gestapt.

Onderweg naar de vertaler maakte Jozef gewag van een persoonlijk onderhoud met Hem.

‘Ik heb voor jullie gebeden en Zijn zegen gevraagd. Alles komt goed.‘

Dat was Hem geraden ook. Na twee dagen file en soebatten bij de burgerlijke stand was dat wel het minste wat Hij voor ons kon doen.

Een loos dreigement, zo bleek bij het loket van de burgerlijke stand. Onze geslipperde boswachter had nog een kleinigheidje. Of we bij de Nederlandse ambassade even onze paspoorten wilden laten verifiëren. Je kon nooit weten. Daarna zouden we elkaar eeuwig trouw mogen zweren.

Het was negen uur en doodstil in de auto. Zelfs Morrison zweeg. We hadden nog twee uur. Toeterend en zigzaggend baande Jozef zich een weg tussen de rijen blik. Het leek uren te duren. Bij de ambassade was het gelukkig rustig. De dame aan de balie keek verwonderd naar onze uitmonstering, maar was zich even later bewust van de ernst van de zaak. Haar felicitatie galmde nog na in mijn hoofd toen we ons opnieuw door de verkeersmassa wurmden. Er restte nog slechts een vraag: ‘Komen we op tijd?’

Tien minuten voor elf beklommen we opnieuw de trappen van de Catatan Cipil. Een klein kereltje in een zwart pak, twee bleekscheten op enige afstand. Louise kwam nauwelijks vooruit in haar strakke sarong. Kleine dribbelpasjes met een ongeduldige bruidegom aan de ene en een zakdoekje in de andere hand waarmee ze de straaltjes zweet van haar gezicht depte. Overmoedig tilde ik haar op en wankelde als een aangeslagen bokser naar boven. Iemand begon te applaudisseren. En nog een, en nog een, zodat we naar boven zweefden, opgewacht door de voorzitter van de personeelsvereniging.
De trouwceremonie nam nog geen kwartier in beslag. Voor ons op tafel stond een bordje met een nummer; A1233. Terwijl de voorzitter de placenta van Louise opdiepte, schoot de boswachter enkele kiekjes van het genummerde bruidspaar. Voor het gemeentearchief. En eindelijk mocht ik mijn Brown eyed girl in haar groene ogen kijken en ‘ja’ zeggen. De tokeh kon rustig gaan slapen.

Uit: Vakantieblues – Riny Boeijen – uitgeverij U2pi BV – isbn 978-90-8759-195-3

, , , , , ,

One Response to Vakantieblues: trouwen in Jakarta

  1. I. Ndo oktober 5, 2012 at 12:15 pm #

    OK Riny, goed geschreven in een westerse stijl die van deze tijd getuigt en toch kennis van de gang van zaken in Indonesia ten toon spreidt, maar vooral geen negatieve gevoelens opwekt bij lezers/-esssen over dat land Indonesia en wat eens een voormalig koloniaal gebeuren was.

    Dat laatste heb ik wel eens vaker gelezen bij westerse schrijvers, die een oosters land in een vergelijkingsformule met een westers land neerplonken en de vergelijking geheel en al uit hun eigen westerse ogen bezien…..en menen de oplossing te weten.

    En dat is godezijdank bij Riny niet het geval. Loud and clear zoals de gang van zaken is en je het ook moet accepteren,

    Kleine typo’s moet ik wel vermelden: Suharto is al enkele jaartjes de padi aan het oogsten in de hemelse sawahs (en dat deed hij sinds 27 jan 2008) en een surat “apa itu??” (= vrijbrief) welke mij onbekend is wat Riny bedoelt met “ketangenan.” ….Keterangan soms?.

    Dank voor je stukje.

Hofstijl, het laatste woord uit Den Haag